Interview Sander Meijerink, Radboud Universiteit: “Pijnlijke besluiten gaan we liever uit de weg.”

Allereerst vroegen we hoe het komt dat er goede regels zijn om de waterkwaliteit te beschermen, maar dat die vaak niet goed nageleefd worden. De Kaderrichtlijn Water (KRW) bijvoorbeeld, een Europese richtlijn, die sinds 2000 van kracht is. De doelstellingen moesten aanvankelijk in 2015 gerealiseerd zijn. Twee keer uitstel volgde en de definitieve deadline ligt nu op 2027. Waarom gaat Nederland ook dit niet gaan halen?

Hoogleraar Sander Meijerink wijt dit ten eerste aan een te vrijblijvende, te weinig verplichtende sturing van de overheid. Ook de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur noemde dit punt onlangs in een advies. Ten tweede denkt Meijerink dat er te weinig afstemming over het beleid is tussen de verschillende sectoren.

Sander Meijerink, hoogleraar Planologie aan de Radboud Universiteit (Foto: Eelkje Colmjon, Eelk.nl)

Verplicht en actueel

Als voorbeeld van zaken die de overheid verplichtender zou kunnen maken noemt hij het registreren van watergebruik. Beregenen bijvoorbeeld: het besproeien van landbouwgewassen. “Op dit moment is er geen systematische registratie van de wateronttrekkingen, van het oppervlaktewater en grondwater,” zegt Meijerink. “Terwijl er periodes met waterschaarste zijn. Dat zou je verplicht kunnen maken voor gebruikers, bijvoorbeeld boeren, zodat we beter zicht krijgen op het waterverbruik en we dus ook beter kunnen sturen ten tijde van waterschaarste.”

Een ander voorbeeld dat hij geeft zijn vergunningen voor het lozen van stoffen die niet actueel zijn. “Wanneer die geactualiseerd zijn, kan wel eens blijken dat er in een aantal gevallen eigenlijk minder geloosd mag worden. Tot die tijd is het moeilijk om de doelstellingen van de KRW te halen.”

De KRW-doelstellingen gaan ook om de ecologische kwaliteit van de waterwegen, benadrukt Meijerink. Watergangen meer ruimte geven bijvoorbeeld, zodat ze weer kunnen meanderen. “Op veel plekken lukt dat, op sommige niet.” Hierbij valt het hem op dat de overheid huiverig is om het instrument van onteigening van agrarisch grondgebruik in te zetten. Terwijl dat bij de realisatie van wegen bijvoorbeeld niet zo is. “Dat zou helpen om een aantal doelstellingen van de KRW beter te realiseren.”

Weinig afstemming

De tweede reden dat, ondanks goed beleid, doelen op het gebied van waterkwaliteit niet gehaald worden, is volgens Meijerink het feit dat er te weinig afstemming is over het beleid tussen de verschillende sectoren. “De KRW gaat natuurlijk over water en waterkwaliteit. Maar of die doelstellingen bereikt kunnen worden ligt ook aan wat er op andere beleidsterreinen gebeurt. Vooral het landbouwbeleid.” Hij noemt de mestregelgeving, pesticidengebruik, het stikstofbeleid, de fosfaatnormen.

In het Nationaal Programma Landelijk Gebied was juist een goed begin gemaakt met deze afstemming, vertelt hij ook. Provincies, waterschappen en andere partijen hebben hier een aantal jaren hard aan gewerkt om tot een meer integrale, afgestemde benadering van de waterkwaliteit- en landbouwproblematiek te komen. “Dat is helaas stopgezet aan het begin van het kabinet Schoof. Heel teleurstellend,” vindt de hoogleraar Planologie.

Op Europees niveau speelt dit ook, zegt Meijerink. “Het gemeenschappelijk landbouwbeleid legt de nadruk op het zekerstellen van voedsel, zonder altijd goed te kijken naar de consequenties voor de leefomgeving. Die afstemming tussen landbouw en drinkwaterkwaliteit kan eigenlijk overal beter.”

Zijn de regels wel goed?

Maar zijn het beleid, de regels, richtlijnen, wetten die bestaan om de waterkwaliteit te beschermen eigenlijk wel goed of kan daar misschien ook wel wat aan verbeterd worden? De Kaderichtlijn Water hanteert bijvoorbeeld het one-out-all-out-principe: een oppervlaktewaterlichaam moet aan alle eisen voldoen om aan de richtlijn te voldoen. “Dat is wel heel streng,” vindt Meijerink. “Het levert soms een wat vertekend beeld op. Het kan dat je op bijna aspecten flink vooruit gaat, maar niet voldoet aan een aspect en dan voldoe je niet. Dat is niet bepaald motiverend.”

In Nederland zijn er voor de KRW maar liefst 100.000 verschillende chemische en ecologische kwaliteitsdoelen voor ons oppervlakte- en grondwater. Momenteel voldoet Nederland voor zo’n 80 procent, maar geen van de ongeveer 750 Nederlandse oppervlaktewaterlichamen heeft een ‘goede toestand’ bereikt, legt Meijerink uit. Daarvoor moeten alle afzonderlijke ecologische en chemische parameters als ‘goed’ worden beoordeeld.

Reputatie

De waterkwaliteit is in Nederland relatief slecht vergeleken met de andere EU-landen. Meijerink denkt dat dit te maken heeft met het feit dat wij zo’n dichtbevolkt land hebben, met een zeer intensieve landbouw en veel industrie. “Heel veel mensen op een klein stukje land maakt het lastig om dit soort waterkwaliteitsdoelstellingen te behalen.”

Maar geen van de landen zal de deadline van 2027 halen. “Voor Nederland vind ik het wel extra pijnlijk,” zegt Meijerink. “Want we hebben natuurlijk een bepaalde reputatie op het gebied van waterbeheer. En staan altijd vooraan bij het maken van internationale afspraken en richtlijnen.”

Dat is voor een deel uit eigen belang: Nederland is benedenstrooms gelegen en afhankelijk van wat er in de buurlanden gebeurt. “We hopen door internationaal beleid de waterkwaliteit te verbeteren, meer water te krijgen of beter beschermd te zijn tegen overstromingen. Daarom is Nederland vaak initiatiefnemer van dit soort afspraken. Maar als het gaat om de uitvoering op eigen bodem is het een ander verhaal.”

Geitenpaadjes

Dat geldt niet alleen voor de KRW. Meijerink noemt ook de vismigratie in de Rijn, waarvoor de Haringvliet op een kier moest. En het herstel van de ecologie langs de Westerschelde, waarvoor de Hedwigepolder opgeven moest worden. “Het heeft ongelooflijk lang geduurd voordat we dat eindelijk gingen doen. Pas toen de overheid er echt niet meer onderuit kon en het juridisch helemaal vastzat. Eerst is het eindeloos geitenpaadjes zoeken. Dat zie je bij het stikstofbeleid en ook bij de KRW.”

Hoe dat komt? “We willen geen last van vervuiling van de buren, maar het is natuurlijk een stuk lastiger als je zelf dure of pijnlijke besluiten moet nemen en mensen moet teleurstellen,” zegt hij. “Dat wordt vaak liever uit de weg gegaan.” Als voorbeeld geeft hij de inkrimping van de veestapel en ook een goede controle op afvalwaterlozingen van bedrijven.

Geen urgentie

Vinden we de waterkwaliteit eigenlijk wel belangrijk in Nederland? “Dat is zeer de vraag,” reageert de hoogleraar. “Eigenlijk niet. Ik denk dat de urgentie van het vraagstuk nog onvoldoende wordt gezien en onderkend.”

Hij noemt nogmaals het feit dat de KRW zo slecht wordt uitgevoerd. “Mensen accepteren het dat de doelstellingen keer op keer niet gehaald worden.” Hij zegt echter ook: “Door de richtlijn is waterkwaliteit wel op de agenda gekomen. Als die er niet was geweest, hadden we misschien nog minder gedaan. Maar waterveiligheid, het risico op overstromingen, staat al jaren veel hoger op de agenda.”

Schoon water

Het idee bestaat nog altijd dat we het hier in Nederland wel goed voor elkaar hebben, merkt Meijerink. In de meeste landen komt natuurlijk niet zo schoon water uit de kraan als hier. “De gedachte is: we redden het wel om de schadelijke stoffen eruit te zuiveren. Dat lukt tot nu toe ook. Maar het wordt steeds lastiger en duurder.”

Aan de andere kant wijst hij erop dat er ook wel dingen goed gaan hier: “Veel andere Europese landen hebben voor het waterbeheer onvoldoende financiële middelen om doelstellingen te realiseren. Omdat wij in Nederland een waterschapsbestel hebben, met waterschappen die ook eigen heffingen hebben, is dat hier minder een probleem.”

Internationale afspraken

Het tweede onderwerp dat RIWA-Maas de hoogleraar voorlegde gaat over de internationale samenwerking in het Maasstroomgebied. Met het veranderende klimaat krijgen we in Nederland, Vlaanderen, Wallonië, Duitsland en Frankrijk steeds vaker te maken met langdurigere, extremere periodes van droogte. Dat betekent vaker en langer weinig water in rivieren, waaronder de Maas. Hierdoor daalt de kwaliteit omdat schadelijke en slecht afbrekende verontreinigingen minder verdund worden. Ook zou het risico op spanningen en mogelijk conflicten over water kunnen toenemen.

Samenwerking tussen de landen over het gebruik van het Maaswater is daarom belangrijk. De samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland over de beschikbaarheid van water verloopt goed. Maar het zou goed zijn als die uitgebreid wordt naar het hele stroomgebied: nauwere samenwerking met Wallonië, Frankrijk en Duitsland op dit thema. “Zeker in de huidige tijd ligt dat inderdaad voor de hand,” reageert Meijerink. “Je wil het water in de bovenstrooms-gelegen delen langer vasthouden, zodat het in perioden van droogte gebruikt kan.”

Maasafvoerverdrag

Vlaanderen deelt met de waterbeheerder in Nederland aanvragen voor afvalwaterlozings­vergunningen die impact kunnen hebben op de waterkwaliteit over de grens om zo elkaars belangen te waarborgen. Sinds 1996 bestaat het Maasafvoerverdrag over de verdeling van het Maaswater tussen Nederland en Vlaanderen.

Dit verdrag heeft sindsdien goed gewerkt, vertelt Meijerink: als er een urgente situatie is, overleggen beide landen welke besparingsmaatregelen mogelijk zijn. “In de jaren negentig stond waterschaarste al op de agenda en zijn hier afspraken over gemaakt. Het is wel het resultaat van tientallen jaren onderhandelen. Vlaanderen kreeg in ruil ervoor de verdieping van de vaarweg in de Westerschelde. Voor de Rijn bestaat zo’n verdrag nog steeds niet.”

Bovenstrooms en benedenstrooms

Maar waarom zijn er, afgezien van Vlaanderen en Nederland, geen afspraken met de andere landen over het gebruik en de verdeling van Maaswater ? Voor een deel heeft dit er mee te maken dat er tussen Nederland en Vlaanderen een splitsing plaatsvindt bij Luik. Een deel van de Maas stroomt via het Albertkanaal naar Vlaanderen, een deel via de Maas en Julianakanaal naar Nederland en een deel  wordt via de Grensmaas tussen Nederland en Vlaanderen gedeeld. Op dit punt wordt het water via afspraken verdeeld. Bij andere landen in het Maasregio is dat niet het geval en stroomt de hele rivierafvoer van het ene land naar het andere. Dat maakt dat het lastiger is om afspraken te maken omdat meer water voor de een, minder voor de ander kan betekenen.

Maar het heeft ook te maken met het verschil in belangen van de bovenstrooms- en benedenstrooms-gelegen landen en gebieden, vertelt Meijerink. “Nederland en Vlaanderen liggen benedenstrooms en zijn hierdoor natuurlijk zeer geïnteresseerd in dat soort afspraken. Voor de bovenstroomgelegen landen is dat minder het geval.”

 Wettelijke rangordes

Behalve afspraken over de verdeling van het Maaswater tussen Vlaanderen en Nederland zijn er ook afspraken over de verdeling van water binnen deze gebieden bij waterschaarste. Namelijk wettelijke rangordes voor de verdeling tussen de verschillende sectoren: voor het drinkwater, de scheepvaart, industrie, landbouw, recreatie, natuur, energie. In Vlaanderen heet dit het afwegingskader voor prioritair watergebruik en in Nederland de verdringingreeks.


Tekst: Thessa Lageman, Onder Woorden

Dit interview is gepubliceerd in het RIWA Jaarrapport 2024 De Maas

Interview Thijs Blom, data-analist bij RIWA-Maas: “Deze tool geeft ons inzicht in de verspreiding van schadelijke stoffen in de Maas”

Van een aantal stoffen in de bronnen voor drinkwater hebben drinkwaterbedrijven vooral veel last: stoffen die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van mensen en dieren, die moeilijk uit het water te zuiveren zijn en bij metingen veel gevonden worden. Zoals industriële verontreinigingen, consumentenproducten en medicijnen en diverse gewasbeschermingsmiddelen.

De Schone Maaswaterketen (SMWK), een samenwerkingsverband van drinkwaterbedrijven, waterschappen, Rijkswaterstaat, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en RIWA-Maas, wil dit soort microverontreinigingen in de Maas omlaag te brengen. Dit is een verzamelnaam voor een grote groep stoffen met verschillende toepassingen en uiteenlopende chemische eigenschappen. Het doel is om in 2040 een reductie van 30% te bereiken vergeleken met 2023 toen het gezamelijke meetnet van SMWK van start is gegaan. Om te weten of dat gelukt is, meet de SMWK op 30 meetpunten minimaal vier keer per jaar 38 stoffen.

Vier trainees van het Nationaal Water Traineeship ontwikkelden een tool hiervoor. “De tool laat zien hoe ver we inmiddels zijn met de reductie,” licht Thijs Blom, de projectleider toe. “Zien we nu een stijging van de concentratie van een bepaalde stof in de Maas of daalt deze? Zijn we op de goede weg? En leggen we de focus op de juiste stoffen?”

Drie soorten stoffen en locaties

In het onderzoek is naar de 38 stoffen die de SMWK gezamenlijk meet gekeken en die zijn in te delen in drie categorieën. Ten eerste Industriële verontreinigingen en consumentenproducten, ten tweede restanten van Geneesmiddelen en hormoonverstorende stoffen en  ten derde Gewasbeschermingsmiddelen, biociden en hun metabolieten.

Ook zijn er drie categorieën locaties. Ten eerste de meetpunten in de oppervlaktewater­punten: 19 locaties in de Maas, waar de waterschappen, drinkwaterbedrijven, Rijkswaterstaat of de Vlaamse Milieumaatschappij meten. De tweede categorie zijn de meetpunten bij vier innamepunten, waar drinkwaterbedrijven WML, Dunea en Evides water uit de Maas onttrekken voor de drinkwaterproductie. De derde categorie is het effluent van vijf rioolwaterzuiverings­installaties (rwzi’s), waar waterschappen het gemeentelijke rioolwater zuiveren.

Hotspots

In de tool zitten data uit de periode 2019 tot en met 2023. De metingen komen van de leden van RIWA-Maas voor deze vijf jaar en van De Schone Maaswaterketen, die in 2023 begonnen is met meten, ook in de zijrivieren.

De tool moet de trends in beeld brengen: in welke concentraties komen de stoffen in de drie categorieën voor en waar zijn de hotspots, de locaties waar de meeste overschrijdingen gemeten worden. Blom legt uit: “Dan kunnen we gericht op zoek naar de verontreinigingsbronnen met als doel die stoffen te verminderen.”

Thijs Blom, data-analist bij RIWA-Maas (Foto: Eelkje Colmjon, Eelk.nl)

Glyfosaat

Het onderzoek draait om drie categorieën stoffen en drie soorten categorieën locaties. De onderzoekers hebben een dashboard ontwikkeld voor alle 38 stoffen op de 29 meetlocaties.

De onderzoekers zoomden in op het gewasbeschermingsmiddel glyfosaat, een veelgebruikte en omstreden onkruidverdelger, die onlangs weer voor tien jaar toegelaten is door de EU en waar Blom vorig jaar binnen het traineeship al onderzoek naar deed (zie het jaarrapport 2023 op p. 44). Wettelijk mogen drinkwaterbedrijven geen drinkwater produceren van grond- of oppervlaktewater waar meer dan 0,1 microgram per liter gewasbeschermingsmiddel in zit.

PFOA en een pijnstiller

De tweede stof waar de onderzoekers naar keken was PFOA, een chemische stof uit de groep van poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS), waar duizenden varianten van zijn. Dit type is veel toegepast in allerlei producten en staat sinds 2013 op de Europese lijst van Zeer Zorgwekkende Stoffen. Het RIVM noemt tal van schadelijke effecten op de gezondheid.

De derde stof is het medicijn diclofenac, een van de meest voorgeschreven pijnstillers die ook ontstekingsremmend werkt. Net als andere geneesmiddelen komen de restanten via het riool en de rioolzuiveringsinstallaties in de rivieren, waaronder de Maas terecht. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de stof schadelijk is voor dieren in het water.

Analyse van de data

In de tool kan je een keuze maken per stof, stofcategorie en meetpuntcategorie in een drop-down menu, legt Blom uit. “Dan krijg je een overzicht van alle stoffen en locaties die aan deze filters voldoen. Zo kun je bijvoorbeeld op de oppervlaktewaterpunten de concentraties geneesmiddelen zien en of je je reductiedoelstelling gaat halen.” Er is ook een tabje waarmee je de gemeten stoffen op de plattegrond van het Maasstroongebied kunt bekijken.

De werkgroep Monitoring en duiding van de SMWK maakt momenteel een analyse van de data in het dashboard. Blom: “De resultaten volgen snel, dan zullen we per stof een trendlijn zien die stijgt of daalt en kunnen we goed zien hoe ver we zijn met de reductiedoelstellingen.”

Trends in de Maas

Resultaten die Blom nu al kan zien: “Het is duidelijk dat glyfosaat over de afgelopen jaren bij de Bergsche Maas aan het afnemen is. Voor PFOA is een bijna rechte lijn te zien. Het stijgt een heel klein beetje, maar daar is nog niet echt een afname in te zien. Wat diclofenac betreft zie je een sterke seizoensgebondenheid, gemiddeld genomen neemt de stof niet signifcant af bij Bergsche Maas.  De metingen van de SMWK gaan ook de komende jaren door. Blom: “Als we ook van het SMWK-meetnet vijf jaar aan uniforme data hebben, zullen we nog duidelijkere trends kunnen zien.”


Tekst: Thessa Lageman, Onder Woorden

Dit interview is gepubliceerd in het RIWA Jaarrapport 2024 De Maas