2020
RIWA-Maas: pleidooi voor transparantie in watergebruik
Na aandacht volgt actie. Wat moet er gebeuren, en waarom? Na de reis door het stroomgebied schetst Maarten van der Ploeg een concreet handelingsperspectief voor de toekomst: “Waterbeheerders in binnen- en buitenland doen hun best om de waterhuishouding toekomstbestendig te maken. Maar het hamsteren van zoetwater alléén is niet voldoende om de beschikbaarheid van Maaswater te kunnen blijven garanderen. Om zeker te zijn van voldoende water, is een brede maatschappelijke discussie nodig. Het gaat om de vraag of de huidige waterhuishouding überhaupt wel duurzaam is?”
Transparantie in gebruik
Volgens Van der Ploeg moeten we ook durven te kijken naar het watergebruik. “Die factor bepaalt immers voor een groot deel hoeveel water er uiteindelijk door de Maas blijft stromen. Dat betekent dat we vooral de water-intensieve activiteiten heel precies in kaart moeten brengen. Hoeveel Maaswater gebruikt de industrie, en hoeveel de landbouw? Denk daarbij ook aan vormen van ‘verborgen watergebruik’. Voor de intensieve veeteelt zijn immers grote hoeveelheden mais, en dus Maaswater, nodig.

Met andere woorden: transparantie in gebruik is cruciaal. De drinkwaterbedrijven publiceren daarom jaarlijks hoeveel water ze aan de Maas onttrekken. Voor andere gebruikers, zoals landbouw en industrie, is dat overzicht er veelal niet. Toch is die informatie wel nodig voor de dialoog: passen de huidige water-intensieve activiteiten nog wel op de locaties waar ze nu plaats vinden? Om te kunnen beoordelen of de huidige waterhuishouding al dan niet toekomstbestendig is, zullen we die opnieuw tegen het licht moeten houden.”
Waterbalans maakt toekomst voorstelbaar
Hoe dan? “De internationale waterbalans (RIBASIM) die we vanuit de drinkwatersector samen met Rijkswaterstaat en Deltares ontwikkelen, kan helpen om de dialoog te voeren. Met behulp van het model kunnen verschillende scenario’s concreet voorstelbaar worden gemaakt.
Stel je voor dat er daadwerkelijk 40 procent minder Maaswater beschikbaar is, boven op de laagwaterafvoeren die we al hadden in de afgelopen droge jaren: wanneer en op welke locaties ontstaan er dan watertekorten? En wat kun je doen om het tekort aan te vullen?
Daarbij hoort de notie dat lage waterafvoeren ook invloed hebben op de waterkwaliteit. Juist tijdens waterschaarste moet de waterkwaliteit in orde zijn. Er is dan immers minder verdunning van verontreinigingen, waardoor er uiteindelijk nog minder water beschikbaar is voor gebruik.
Tot slot: omdat 90 tot 95 procent van het Nederlandse Maaswater uit het buitenland komt, zul je over de grens moeten kijken om te weten of er ook in de toekomst nog voldoende water Nederland binnen stroomt. Wat RIWA-Maas betreft maken we de waterbalans voor het Maasstroomgebied dus samen met de partners uit de landen en gewesten. De Internationale Maas Commissie als plaats om grensoverschrijdende vraagstukken op te lossen, wordt dus alleen maar belangrijker.”
Maaswaterbalans
Vraag: hoe steekt het internationale Maasstroomgebied precies in elkaar?
In 2020 hebben drinkwaterbedrijven het vooral over ‘waterbeschikbaarheid’. Om daar grip op te krijgen is in 2020 gewerkt aan een internationale waterbalans voor de Maas (RIBASIM) en is er onderzoek gestart naar de bijdrage van de zijrivieren aan de afvoer van de Maas.
In het artikel ‘Op reis door het Maasstroomgebied’ komen deze twee onderzoeken samen, maar dan in een internationale context. Het artikel gaat over de vraag hoe het watersysteem van de Maas precies in elkaar zit. Deze kennis is belangrijk om inzicht te krijgen in de waterbeschikbaarheid in het internationale stroomgebied.
RIBASIM als rekenmodel voor een internationale waterbalans
Om inzicht te krijgen in de huidige en toekomstige beschikbaarheid van water ontwikkelt Deltares een model voor een waterbalans voor de Maas. Het projectteam bestaat uit Rijkswaterstaat Zuid-Nederland, WML, Dunea, Evides en RIWA-Maas.
Kennisinstituut Deltares beschikte al over een potentieel geschikt basismodel daarvoor, het RIBASIM. Dit model wordt tot nu toe vooral gebruikt in de internationale wereld, waarbij het gaat om gebieden met grote watertekorten. De toepassing van RIBASIM in Europa en het Maasstroomgebied, is nieuw.
RIBASIM is een rekenmodel dat bestaat uit twee componenten: de waterbeschikbaarheid (neerslag, runoff, verdamping) wordt afgezet tegen het watergebruik (grondwater en oppervlaktewater). In het geschematiseerde Maasstroomgebied komen de data in negen knooppunten bijelkaar om doorgerekend te worden.
Met RIBASIM zijn ook extrapolaties naar de toekomst mogelijk, bijvoorbeeld om de invloed van bevolkingstoename of klimaatverandering op de waterbeschikbaarheid in kaart te brengen. Of het effect van veranderend landgebruik.
Instrument voor grensoverschrijdende dialoog
RIBASIM zal worden ingezet om de onderlinge dialoog en samenwerking in het Maasstroomgebied te stumuleren. Dat gebeurt in twee stappen. Enerzijds worden de inhoudelijke en feitelijke uitgangspunten van het RIBASIM afgestemd met die van andere waterbalansmodellen, zoals het rekenmodel van de KULeuven. Ook wordt afgestemd met andere wetenschappelijke watermodellen, zoals Pegase/Chimere.
Daarnaast wordt het RIBASIM gebruikt om de toekomstige waterbeschikbaarheid te simuleren. RIWA-Maas wil dat doen door met experts uit de verschillende delen van het Maasstroomgebied lokale en regionale klimaatvoorspellingen in het model te simuleren om gezamenlijk te zien wat er gebeurt. Er is daartoe overleg met de Internationale Maascommissie en de aangesloten internationale partners van het Mosan Initative for Climate Change Action (MICCA).
Bijdrage zijrivieren
Om inzicht te krijgen in de bijdrage van de zijrivieren in de waterafvoer van de Maas is in 2020 onderzoek uitgevoerd door Deltares. Daarbij zijn de 22 zijrivieren van de Maas en de waterafvoer in de afgelopen 28 jaar onderzocht. Kernvragen: is er een patroon te herkennen in de waterafvoer? Hebben de rivieren een geheugen? Op welke manier beïnvloeden drie achtereenvolgende droge zomers de beschikbaarheid van water?
Wat was de aanleiding voor het onderzoek? Maarten van der Ploeg: ”Twee jaar geleden zagen we dat een relatief kleine zijrivier als de Roer een belangrijke bijdrage leverde aan de waterbeschikbaarheid en de drinkwatervoorziening van drinkwaterbedrijf Dunea en Evides in Zuid Holland. Zo werd onze internationale afhankelijkheid van een ogenschijnlijk kleine zijrivier duidelijk.
Ook werd duidelijk dat Frankrijk, Duitsland, België en Nederland bij laagwater op individuele basis handelen, en dat de waterbeschikbaarheid vooral nog een nationaal thema is. Een internationaal concept ontbrak. Dat inzicht heeft ons in 2020 aangespoord om breder te kijken naar de invloed van de zijrivieren in het Maasstroomgebied. We hebben Deltares gevraagd onderzoek uit te voeren. Deze actie anticipeert op een actie van de Internationale Maascommissie, waar ondertussen gewerkt wordt een plan van aanpak voor laagwater.” Het onderzoek van Deltares zal na het verschijnen van het jaarrapport van de waterkwaliteit van de Maas uitkomen.
Zicht op zijstromen
Op basis van literatuur en de beschikbare dataset delen de onderzoekers het Maasstroomgebied op in vier delen:
|
Boven: het bovengebied van de Maas bevat het stroomgebied bovenstrooms van Stenay, de Chiers en de Bar. Vanwege het bufferend vermogen van de ondergrond, leveren deze zijrivieren tijdens laagwater een relatief grote bijdrage aan de afvoer van de Maas. Tijdens laagwater is de bijdrage circa 25%, wat overeenkomt met het oppervlakte circa 6500 km2 (zo’n 26 % van het bemeten stroomgebied) bedraagt. Ardennen: In de Ardennen liggen de zijrivieren Semois, Viroin, Houile, Hermeton, Lesse, Sambre, Ourthe, Ambleve en Vesdre. Het gebied beslaat een oppervlakte van circa 10.000 km2 (40%). De geringe doorlatendheid van de ondergrond in het stroomgebied en het grote verhang dragen bij aan een snelle afvoer van de gevallen neerslag. De bijdrage van dit gebied aan hoogwatergolven is daarom groot, de bijdrage aan lage afvoeren relatief gering. Toch is de afvoer in de zomer van dit gebied niet verwaarloosbaar. Zelfs in de zomer van 2020, de vierde droge zomer op rij, was de bijdrage van dit gebied aan de Maasafvoer toch 32%. De grootste bijdrage word hier geleverd door de Sambre, welke een groot stuwmeer bovenstrooms bevat, welke mede voor de scheepvaart tijdens laagwater wordt ingezet. Midden: De middenloop bevat de zijrivieren Molignee, Bocq, Hoyoux, Mehaigne, Jeker, Geul en Geleenbeek. De rivieren zijn gelegen in een vlak gebied met doorlaatbare bodem. Het gebied beslaat een oppervlakte van circa 1900 km2 (8%). De bijdrage van dit gebied aan de totaalafvoer van de Maas is relatief laag (9 tot 13%), echter vrij constant. Hierdoor dragen deze zijrivieren tijdens laagwater relatief meer bij dan tijdens hoogwaterperioden. Beneden: Dit gebied beslaat zo’n 26% van het bemeten stroomgebied van de Maas. De belangrijkste zijrivieren zijn Roer, Swalm, Niers en Dieze. Net als in het gebied “Midden” dragen de Roer, Swalm en Niers tijdens laagwater relatief gezien meer bij aan de Maasafvoer (gezamenlijk circa 20%) dan tijdens hoogwater (circa 15%). Dit kan mede verklaard worden door de bovenstroomse stuwmeren, bodemopbouw en topografie. De afvoer van de Dieze reageert sterker op droge periodes dan de overige zijrivieren in dit gebied. Deze afvoer is mede afhankelijk van de afvoer van de Zuid-Willemsvaart en rioolwater zuiveringsinstallaties (RWZI’s). |