2022

Maarten van der Ploeg & Andre Bannink

Wie loost wat

Wie loost wat? Vergunningen beter in beeld

Heel wat afvalstoffen komen terecht in de Maas. Een deel van de vergunningen om deze te lozen is in te zien, maar een volledig overzicht ontbreekt. Directeur Maarten van der Ploeg en senior beleidsadviseur André Bannink van RIWA-Maas vertellen wat er volgens hen moet verbeteren. “De greep op afvalwaterlozingen moet steviger worden.”

RIWA-Maas pleit voor een volledig en actueel overzicht van de industriële lozingen die in de Maas terechtkomen. Deze informatie zou helder, transparant en goed toegankelijk moeten zijn, zodat verontreinigingen sneller opgespoord en gestopt kunnen worden. Als een drinkwaterbedrijf een te hoge concentratie van een schadelijke stof meet, dan kan er namelijk tijdelijk geen water uit de Maas worden gehaald. “Wanneer dat lang duurt, komt de drinkwaterproductie in gevaar,” legt Maarten van der Ploeg uit. “Het is dus goed om te weten welke bedrijven welke stoffen produceren en vervolgens lozen, want dan kan je makkelijker achterhalen waar het probleem vandaan komt en dus ook tijd besparen.”

Directe en indirecte lozingen

Bedrijven die stoffen willen lozen in Nederlandse rivieren moeten een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding, afhankelijk van de soorten stoffen en hoeveelheden die een bedrijf loost. Vergunningen voor directe lozingen in het oppervlaktewater, dus in een rivier, sloot, beek, kanaal of in zee, moeten worden aangevraagd bij Rijkswaterstaat of de waterschappen.

Daarnaast zijn er nog indirecte lozingen, lozingen die via het riool en de rioolwaterzuiveringsinstallatie uiteindelijk in de rivier terechtkomen en die dus ook impact hebben op de waterkwaliteit. De vergunningen daarvoor worden uitgegeven door een van de 29 regionale omgevingsdiensten in Nederland die taken uitvoeren voor gemeentes en provincies.

Database met vergunningen

Sinds 2020 bestaat de Atlas voor een Schone Maas, met onder andere een database met vergunningen van afvalwaterlozingen. Dit is een initiatief van de Schone Maaswaterketen, een samenwerking van de Nederlandse drinkwaterbedrijven en waterschappen langs de Maas, Rijkwaterstaat, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en RIWA-Maas. Hierin kun je onder andere zoeken op bedrijf, type stof en vergunningsverlener. “Een groot deel van de directe vergunningen staat er inmiddels in,” vertelt Van der Ploeg. “Van Rijkswaterstaat en sinds kort ook van de waterschappen.”

De indirecte vergunningen staan er niet in. “Het zou goed zijn om te weten welke bedrijven die lozingen doen, uit welke sectoren ze komen en wat ze precies lozen,” benadrukt Van der Ploeg. “Die informatie is dus niet makkelijk te vinden, maar ik vermoed dat het om een veelvoud gaat van de directe lozingen. Dit zou gewoon met een druk op de knop beschikbaar moeten zijn.”

Toch zouden vergunningen van bedrijven om stoffen te lozen openbaar moeten zijn. “In het Verdrag van Aarhus, een Europees verdrag dat in 2001 in werking is getreden, is namelijk afgesproken dat alle milieu-informatie openbaar en publiek toegankelijk zou moeten zijn,” zegt André Bannink. 

Onder de grond

Er zou meer aandacht voor de indirecte lozingen moeten zijn, vindt Van der Ploeg. “Lozingen op het riool vinden onder de grond plaats – je ziet het niet. Burgers klagen niet over afvalwater, terwijl als een bedrijf veel lawaai maakt of stank veroorzaakt ze gelijk aan de bel trekken. Maar op een gegeven moment komen die schadelijke stoffen aan de oppervlakte en dan heeft iedereen er last van.”

Bij de indirecte vergunningen zijn verschillende partijen betrokken, namelijk de omgevingsdiensten, gemeentes en provincies en dat maakt het ingewikkeld. De Commissie Van Aartsen deed na onderzoek naar de omgevingsdiensten in maart 2021 tien aanbevelingen om de vergunningverlening, toezicht en handhaving van omgevingsdiensten te verbeteren. 

Vergunningen updaten

Afvalwatervergunningen mogen niet ouder dan tien jaar zijn en soms moeten ze binnen vijf jaargeactualiseerd worden, afhankelijk van hoe milieubelastend of hoe gevaarlijk de geloosde stoffen zijn. Rijkswaterstaat heeft in 2019 een steekproef gedaan om te bekijken hoe actueel de verleende vergunningen waren. Driekwart van de vergunningen bleek te moeten worden aangepast. “Actueel betekent ook dat de stoffen die je loost en de hoeveelheid daarvan in de vergunning staan,” licht Van der Ploeg toe. “Als in je productieproces iets verandert, heeft dat ook invloed op je afvalstroom.”

Rijkswaterstaat besloot vervolgens alle vergunningen – rond de 800 – te gaan bekijken en zo nodig herzien. Dit zal volgens de organisatie nog veel tijd in beslag nemen. Bannink: “Nu Rijkswaterstaat met deze update bezig is, zie je dat de waterschappen dat nu ook willen gaan doen. Hopelijk volgen hierna de omgevingsdiensten.”

Van der Ploeg wijst erop dat er sinds kort vanuit de Schone Maaswaterketen allerlei uitwisselingen plaatsvinden tussen Rijkswaterstaat en de waterschappen over technische zaken met betrekking tot vergunningverlening. “Zaken als: waar loop je tegenaan? Hoe pak jij dat aan? Dat is natuurlijk heel waardevol.” Bannink: “Rijkswaterstaat heeft nu zelfs een ambassadeur voor vergunningen. Die was er voorheen niet.”

België, Frankrijk en Duitsland

De Maas stroomt natuurlijk niet alleen door Nederland, maar stroomt eerder ook door België en Frankrijk en krijgt water vanuit zijrivieren, waaronder enkele uit Duitsland. Het zou daarom volgens RIWA-Maas goed zijn om een overzicht van vergunningen in deze vier landen samen te hebben. De Atlas voor een Schone Maas is een beginnetje. “In Nederland zijn we dus stappen aan het zetten,” zegt Van der Ploeg. “De vergunningen in Vlaanderen en Wallonië zijn ook al voor een deel in beeld en digitaal beschikbaar. Er liggen dus kansen om dit te gaan doen.”

Als al deze informatie beschikbaar is, kan een drinkwaterbedrijf die een bepaalde stof in het water tegenkomt gemakkelijk kijken welke bedrijven een vergunning voor die stof hebben gekregen, legt hij uit. “En als vergunningverlener kan je dan naar het grotere geheel van lozingen kijken: als er bijvoorbeeld in België al veel van een stof geloosd wordt, moet je er misschien voor zorgen dat er in Nederland niet nog meer van in het water terecht komt.”

Wie zo’n overzicht het beste kan organiseren, is nog even de vraag. De Internationale Maascommissie of de Europese Commissie misschien? Nog mooier zou een overzicht voor heel Europa zijn, dus inclusief de Rijn en de andere rivieren.

Europese richtlijnen

Het zou daarnaast goed zijn als de wet- en regelgeving in Europa meer op elkaar afgestemd wordt, benadrukt Bannink. “De Richtlijn Industriële Emissies in Europa wordt op dit moment aangescherpt. Zo zou het goed zijn als er in alle lidstaten een immissietoets plaatsvindt, dat wil zeggen een controle van wat het water ontvangt aan stoffen, een belangrijke stap in het Nederlandse waterbeleid voor het bepalen van de effecten van een restlozing op het milieu. Dit doen we in Nederland sinds 2011 en vanaf 2019 is het onderdeel voor de toets op waterwinlocaties flink aangescherpt. Dit hebben we destijds samen met Vewin voorgesteld.”

De Europese Commissie is ook bezig met een herziening van de Richtlijn stedelijk afvalwater. Waterschappen hopen hiermee meer zeggenschap te krijgen over wie er wat mag lozen op het rioolwater.

Verder zijn er voorstellen om de European Pollutant Release and Transfer Register (E-PRTR) uit te breiden en te verfijnen tot de European Emissions Portal. Dit is een portal van de Europese Unie waarin grote bedrijven moeten opgeven welke stoffen ze lozen. “Maar als je nu daarin gaat zoeken, vind je weinig stoffen die wij in de Maas tegenkomen,” zegt Bannink. Nu staan er alleen lozingen boven de 1000 kilo in en van bedrijven die onder de IPPC-richtlijn (Integrated Pollution Prevention and Control) van de EU vergunningsplichtig zijn. Volgens RIWA-Maas is het van belang dat ook kleinere lozingen en kleinere bedrijven hierin komen te staan. 

Nieuwe inzichten

En als al die vergunningen in beeld zijn? “Dan zullen we zien dat er heel wat verouderde vergunningen zijn en dat niet alle stoffen die een bedrijf loost in die vergunning staan,” zegt Van der Ploeg. “Dus dat ze niet actueel en compleet zijn. In veel gevallen staan juist de stoffen die het drinkwater bedreigen er niet in: de persistente, mobiele en toxische stoffen. Dat komt ook omdat er door nieuw onderzoek pas recent veel aandacht is voor het feit dat deze stoffen zo schadelijk voor de gezondheid zijn. Daarom is het ook zo goed om die vergunningen regelmatig te herzien: je kunt nieuwe inzichten over bestaande stoffen meenemen.”

Bannink noemt als voorbeeld PFAS-stoffen. “Die kennen we al meer dan vijftig jaar, alleen komen we er nu pas achter wat voor vervelende stoffen dat zijn. Dat zou met andere stoffen ook kunnen gebeuren. Dus waar eerst geen noodzaak werd gezien om lozingseisen te stellen aan PFAS worden er nu de meest strenge eisen gesteld. Zolang je niet weet hoe schadelijk een stof is, kun je het dus beter niet lozen.” 

In Vlaanderen is de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan naar PFAS-lozingen: waar zit het allemaal en waar komt het vandaan? “Een van de acties die daaruit voortkomen,” vertelt Bannink, “is dat er 0-metingen gaan worden uitgevoerd. Dus dan kijk je wat er op dit moment in het te lozen water zit enwat er in het ontvangende water. Mag er nog iets bij geloosd worden of zit er al te veel in? Op basis van wat ze dan in het water aantreffen, krijg je vergunningseisen opgelegd.”

Bedrijfsgeheim

In de huidige situatie moet een bedrijf aan de vergunningverlener melden wat het bedrijf van plan isom te lozen. Bedrijven zijn daar echter niet altijd transparant over of weten niet precies welke stoffen bij een bepaald productieproces vrijkomen. Bannink: “Zo kan het voorkomen dat een bedrijf een vergunning aanvraagt om bijvoorbeeld koelwater te lozen, maar niet precies weet welke stoffen daarin zitten omdat de leverancier van het koelwaterbehandelingsmiddel dat niet wil zeggen omdat het bedrijfsgeheim is. Als er ook andere stoffen geloosd worden dan in de vergunning staan, komt de vergunningsverlener daar niet achter.”

Een paar jaar geleden deed de Raad van State de uitspraak dat een vergunningsaanvrager alleen stoffen mag lozen die in de vergunningaanvraag staan. Bannink: “Dit was altijd al de bedoeling van de wet, maar nu heeft de rechter expliciet gemaakt dat je het zo moet interpreteren. Dus kunnen bedrijven nu in de problemen komen als ze stoffen lozen die niet in vergunning staan.” 

Weten wat je loost

RIWA-Maas zou graag zien dat in Nederland ook 0-metingen uitgevoerd gaan worden. “Het is heel goed om naar PFAS te kijken,” vindt de directeur van RIWA-Maas. “Maar nog beter zou zijn om grondig onderzoek te doen naar wat er allemaal in je lozingswater zit en daar vervolgens de vergunningseisen op af te stellen.” 

De expertise van drinkwaterbedrijven kan ook ingezet worden bij de afweging welke vergunningen wel en niet verleend mogen worden. “De drinkwaterbedrijven beschikken over veel kennis over de stoffen, over wat schadelijk en minder schadelijk is, wat moeilijk te zuiveren is en hebben hele geavanceerde meettechnologie ontwikkeld in hun laboratoria,” zegt Van der Ploeg en besluit: “Als bedrijf moet je kortom weten wat je loost. En als vergunningverlener moet je er alles aan doen om te weten wat er geloosd wordt. Dat moet je vervolgens ook inzichtelijk maken zodat je greep hebt op afvalwaterlozingen.”