2022
Hoe kan de Maas schoner worden?
Waterschappen en drinkwaterbedrijven werken samen
In de Schone Maaswaterketen komen de prioriteiten van waterschappen en drinkwaterbedrijven samen. Janneke Snijders van het Waterschap Aa en Maas vertelt over de voordelen hiervan en wat deze samenwerking tot nu toe al opgeleverd heeft.
“Door de medicijnrestenproblematiek kijken we nu breder dan alleen naar onze wettelijke taken.”
Waterschap Aa en Maas in de provincie Noord-Brabant zuivert elke dag 300 miljoen liter water uit het riool. Via de rioolwaterzuiveringsinstallaties gaat het water weer schoon terug naar de sloten in het gebied en uiteindelijk naar de Maas.
Als regisseur schoon water houdt Janneke Snijders zich bezig met de stoffen in het afvalwater en welke technieken het waterschap gebruikt voor de zuivering. Ze kijkt vooral naar de strategische kant hiervan: “Zaken als: wat moeten we vanuit de regelgeving, gaan we extra dingen doen en welke kant willen we op? Ook ga ik in gesprek met bedrijven, burgers en zorgpartijen die stoffen lozen in het water om te kijken hoe dat verminderd kan worden.”
Binnen de Schone Maaswaterketen (SMWK) coördineert Snijders de monitoringsinspanningen van alle samenwerkingspartners. Dit zijn twaalf organisaties die samenwerken aan schoner water in de Maas: waterschappen, drinkwaterbedrijven, Rijkswaterstaat, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en RIWA-Maas. Het samenwerkingsverband is bezig drie meetnetten op te zetten, vertelt ze. “We gaan de waterkwaliteit in het Maasstroomgebied volgen met als doel de hoeveelheid chemische stoffen in het water te reduceren.”

De eerste is het stoffenmeetnet, waarin op 31 meetpunten 38 stoffen gemeten gaan worden. De focus ligt op medicijnresten en industriële stoffen. “Er zijn duizenden stoffen en die kunnen we niet allemaal meten, want dat kost veel geld,” licht Snijders toe. “Daarom hebben we 38 stoffen geselecteerd: stoffen die veel voorkomen en waar we ons zorgen over maken. Omdat ze niet goed zijn voor de ecologie, voor ons drinkwater of beide.”
Het tweede en derde meetnet bestaat uit nieuwe meetmethodes die de partners van de Schone Maaswaterketen willen testen. Het tweede meetnet is een screeningsmethode om van 2.000 of meer stoffen in een keer een beeld te krijgen welke in het water zitten.
Het derde meetnet moet duidelijk maken welk toxisch effect stoffen hebben door een watermonster te nemen en te kijken hoe bepaalde organismen daar op reageren, watervlooien of vissen bijvoorbeeld. Snijders: “Want je kunt die stoffen meten en dan is duidelijk wat boven de norm is, maar uiteindelijk wil je natuurlijk weten of dieren of planten dood gaan, dus hoe schadelijk het is.”
Na de zomer van 2023 wordt met deze drie meetmethoden begonnen. Tegelijk, zodat de resultaten vergeleken kunnen worden. Het meten duurt een jaar, want de metingen vinden tijdens de verschillende seizoenen plaats. Over vijf jaar wordt bekeken of de hoeveelheid chemische stoffen in de rivier daadwerkelijk is gedaald en ook wat het effect daarvan is.
Alle deelnemende organisaties hebben ook hun eigen monitoring, vertelt Snijders. Ze meten deels dezelfde, maar ook andere stoffen. “Wij kijken graag naar het hele Maastroomgebied: welke stoffen komen uit het buitenland en welke vanuit Nederland?” zegt Snijders. Dit gebeurt nu al, maar wordt in de toekomst geïntensiveerd. “Dan is het handig dat we binnen de SMWK afgesproken hebben welke stoffen we meten, met welke methoden, waar en hoe vaak. Dat hebben we dus op elkaar afgestemd.”
Snijders helpt om dit soort knopen door te hakken, wat niet altijd makkelijk is natuurlijk met zoveel samenwerkingspartners. “Maar als je het eenmaal eens bent, kun je veel meer doen dan apart. We hebben samen geld bij elkaar gebracht om hiervan te leren en zo zijn we niet allemaal hetzelfde wiel aan het uitvinden.” Nieuwe technieken op verschillende plekken uittesten bijvoorbeeld, want bij een rioolwaterzuivering is de situatie weer anders dan in een beek of in de Maas.
De samenwerkingspartners hebben elk andere prioriteiten en taken en dus wetten om aan te voldoen. Naast afvalwater zuiveren hebben waterschappen ook taken als dijkbewaking, de waterstand regelen, natuurbeheer in en aan het water en de kwaliteit van het zwemwater controleren. Snijders: “Als waterschap produceren wij geen drinkwater, dus wij hanteren andere lijstjes van stoffen dan drinkwaterbedrijven – we kijken van oorsprong meer naar de ecologie.” Sommige stoffen zijn bijvoorbeeld eerder schadelijk voor mensen dan voor vissen.
Waterschappen meten alleen de schadelijke stoffen die wettelijk gemeten moeten worden volgens de Europese Kaderrichtlijn Water en eens per jaar of om de paar jaar nog een paar extra stoffen. “We kunnen niet alles meten wat we willen,” licht Snijders toe, “want dat kost veel geld en voor sommige stoffen is nog geen norm. Er zijn duizenden stoffen, dus hoe ga je dan goede afweging maken? Dat is een hele puzzel.”
Met het stoffenmeetnet gaan echter ook schadelijke stoffen gemeten worden die buiten deze Europese richtlijn vallen. Snijders: “We kunnen nu samen met meerdere experts goede keuzes maken en zowel stoffen die belangrijk zijn voor de ecologie als het kraanwater meten. Zo benutten we kennis van experts bij drinkwaterbedrijven. Daarom ben ik zo blij met de Schone Maaswaterketen. Sinds deze samenwerking kijken we als waterschap meer naar water als bron voor drinkwater. Dat is echt een andere manier van denken.”
Niet alle 21 waterschappen zijn hier zo mee bezig als Maas en Aa. Dat komt ook omdat er in andere delen van Nederland geen initiatieven zoals de Schone Maaswaterketen zijn, waarbij al deze verschillende organisaties samenwerken.
Snijders kan zich voorstellen dat waterschappen in de toekomst ook gezuiverd afvalwater gaan leveren aan de landbouw en industrie, in plaats van dat ze drinkwater voor alles blijven gebruiken, terwijl dat lang niet altijd nodig is. Daar zou wel eens behoefte aan kunnen zijn vanwege de toenemende droogte door de klimaatverandering: “In plaats van dat de miljoenen liters water die wij dagelijks zuiveren allemaal weer de sloten ingaan, kunnen we dit water ook hergebruiken. Dan hoeven boeren en fabrieken geen grondwater op te pompen, want drinkwaterbedrijven hebben dat ook nodig, helemaal als het weinig heeft geregend.”
De samenwerking van de Schone Maaswaterketen is in 2015 begonnen met twee projecten. Als eerste was er een gezamenlijke studie naar medicijnresten. Het tweede project was een pilot met een nieuwe techniek om medicijnresten uit het water te halen. “Medicijnresten vormden een nieuwe groep stoffen waarvan we ineens doorhadden dat ze schadelijk kunnen zijn,” zegt Snijders. “De bacteriën in rioolwaterzuiveringen halen ook een deel van de medicijnresten uit het water, maar niet alles. Die medicijnrestenproblematiek heeft ook getriggerd dat we breder wilden kijken dan alleen naar onze eigen wettelijke taken.”
De pilot bleek een succes en minister Harbers van Infrastructuur en Waterstaat opende in maart 2023 de nieuwe Pacas-installatie (powder activated carbon in active sludge) van het waterschap bij de rioolwaterzuivering in Oijen. Deze nieuwe installatie, de tweede in Nederland, haalt medicijnresten uit het water met behulp van poederkool, een soort verpulverde Norit. De medicijnresten hechten zich aan het poeder, wat samenklontert tot een soort slib dat vervolgens wordt verbrand.
Aa en Maas koos voor deze locatie omdat het afvalwater hier in een relatief kleine beek met een kwetsbare ecologie wordt geloosd. “De installatie kost namelijk miljoenen, dus die kunnen we niet direct bij al onze zeven rioolwaterzuiveringen neerzetten,” licht Snijders toe.
Pacas is een hele goede techniek om medicijnresten uit het water te halen, zegt ze, maar omdat het poeder niet hergebruikt kan worden, is het niet de meest duurzame oplossing. Een andere methode is ozonisatie, desinfectie door behandeling met ozon, maar dat kost weer heel veel energie. Daarom doet het waterschap nu onderzoek naar andere technieken. Snijders: “Het is dus een keuze tussen een betere waterkwaliteit, maar een niet heel duurzame methode of duurzaam, maar een slechte waterkwaliteit. Dat zijn lastige afwegingen.”
Het ingewikkelde van medicijnresten in het afvalwater, zegt ze ook, is dat ze via onze urine en uitwerpselen in het riool terechtkomen. Dus anders dan bij bedrijven die schadelijke stoffen lozen, kun je niet zo makkelijk voorkomen dat medicijnresten in het water terecht komen. En door de vergrijzing en stijging van onze levensduur worden er alleen maar meer medicijnen gebruikt.
Er ligt echter een voorstel om in 2023 voor het eerst medicijnen in de Kaderrichtlijn Water op te nemen. Het gaat om diclofenac, een pijnstiller en oestrogenen. Snijders: “We maken ons zorgen als we deze stoffen terugvinden in het water.”
Het heeft even geduurd voordat medicijnen in het voorstel kwamen en meer dan enkele zijn het dus niet, legt Snijders uit, want: “Het is een Europese richtlijn, dus er moet in Europa gemeten worden welke medicijnen er in het water voorkomen en er is natuurlijk ook een hele lobby vanuit de geneesmiddelenfabrikanten die ze niet op dat lijstje wilden hebben.” Ook zegt ze: “Europa heeft nu dus eindelijk oog voor medicijnen door ze op te nemen in wetgeving, al is die formeel nog niet vastgesteld. Vervolgens moeten alle landen hun eigen wetgeving nog aanpassen en dan ben je weer twee jaar verder.”
Zoveel mogelijk medicijnresten
Op dat moment hebben waterschappen de verplichting ervoor te zorgen dat het water wat uit rioolwaterzuiveringen komt aan de nieuwe eisen voldoet, dus mag er dan niet te veel van die medicijnresten in het water zitten. Snijders noemt ook een voorstel waarin staat dat in de nieuwe Europese richtlijn Stedelijk Afvalwater waterschappen 80% van de medicijnresten uit het water moeten gaan halen. Hierbij wordt weer naar andere medicijnen gekeken.
“Dat betekent dat wij installaties moeten gaan bouwen die specifiek deze, maar het liefst zoveel mogelijk medicijnresten eruit te gaan halen,” zegt Snijders. Die technieken zijn echter nog niet voldoende ontwikkeld om ze snel én op grote schaal toe te passen, zegt ze ook. “Dus dat is wel spannend.”
Waterschappen investeren dus miljoenen in geavanceerde zuiveringsinstallaties – waarom is er minder geld voor het opsporen van de verontreinigingsbronnen, oftewel de bron-aanpak? “Beide is belangrijk, maar dat opsporen is een hele ingewikkelde puzzel,” reageert Snijders. “De laatste jaren is door onderzoek duidelijk geworden hoe ontzettend veel stoffen in het afvalwater zitten en hoe schadelijk ze zijn. Onze meettechnieken zijn enorm vooruit gegaan, maar ondertussen weten we niet goed welke stoffen er allemaal geloosd worden.”
Als voorbeeld noemt ze de stoffengroep PFAS. Er is maar één bedrijf in Nederland dat PFAS produceert, maar het blijkt ook in een heleboel producten te zitten. Als bedrijven deze producten gebruiken, lozen ze onbewust PFAS. Veel bedrijven weten niet eens dat ze PFAS gebruiken en hebben daar ook geen vergunning voor aangevraagd. Daarnaast komt ook nog PFAS vrij bij huishoudelijk gebruik van deze producten.
De vergunningenverlening is daarnaast lange tijd een ondergeschoven kindje geweest in Nederland, vindt Snijders. “We hebben niet goed gehandhaafd en vergunningen als die van Tata Steel in IJmuiden hadden achteraf gezien strenger gemoeten. Op de plekken waar de vergunningen verleend worden, zitten niet altijd mensen met genoeg chemische kennis om goed in te kunnen inschatten hoe giftig het is.”
Stoffen opsporen door ze te meten in het water is dus kostbaar en tijdrovend. “Gelukkig hebben we nu dus met de Schone Maaswaterketen de mogelijkheid om veel meer stoffen te meten dan dat we als waterschap alleen kunnen,” zegt Snijders. “Maar naast zo streng mogelijke vergunningen en opsporen van verontreinigingen, moeten we ook proberen de stoffen die in toch het water terechtkomen, zoals medicijnresten, eruit te halen.”
Momenteel is er geen prikkel voor bedrijven om hun vervuiling te reduceren. Om daar wat aan te veranderen is er recent een voorstel gedaan in de Europese Commissie om de bedrijven die schadelijke stoffen lozen of farmaceutische bedrijven die medicijnen produceren te laten betalen – het vervuiler betaalt-principe dus.
Snijders vindt het een goed idee, want: “Hiermee leg je de verantwoordelijkheid bij het bedrijf dat een bepaald product ontwerpt. Om ervoor te zorgen dat de schadelijke stoffen weer uit het milieu gehaald worden of door producten te ontwerpen waar die stof niet in zit.”
Ze voegt eraan toe: “Het is eigenlijk gek en niet duurzaam dat er maar van alles in het riool geloosd mag worden en dat wij het er achteraf uit moeten halen. Dat is natuurlijk een beetje de omgekeerde wereld.”