2021
Het klimaat verandert, en dat heeft invloed op de waterafvoer in de Maas. In 2021 werd het waterbalansmodel RIBASIM ontwikkeld voor het internationale Maasstroomgebied. “Daarmee kunnen we het gesprek over het handelingsperspectief beter voeren,” denkt Harold van Waveren van Rijkswaterstaat. “Maar eerst moet er voldoende draagvlak komen voor het gebruik van het model.”
Laagwater
Rijkswaterstaat-topadviseur Harold van Waveren is één van de vijf voorzitters van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW), een onderdeel van het Watermanagementcentrum Nederland. Het is een samenwerkingsverband van Rijkswaterstaat, de waterschappen, de ministeries van Defensie en van Infrastructuur en Waterstaat, vertegenwoordigers van de provincies en van bepaalde regionale samenwerkingsverbanden.
“Er zijn vijf voorzitters, want we werken daar met piketdienst. Normaal gesproken hebben we niet veel te doen, totdat extreme omstandigheden zich aankondigen. Dat kan gaan om te veel water of juist watertekort, of om een milieu-incident.” In Nederland wordt er dagelijks een waterbeeld gemaakt. “Dat is een kerntaak van het Watermanagementcentrum. In crisissituaties wordt dat werk opgeschaald.”
De LCW is een crisisadviesgroep voor watertekorten. Wanneer is dat het geval? “Daarvan is er sprake als de vraag naar water (gebruik door drinkwater, landbouw, scheepvaart, natuur) groter is dan het aanbod (neerslag en de aanvoer via de rivieren). De LCW wordt al actief bij een dreigend watertekort, zodat er op tijd voorbereidingen getroffen kunnen worden voor als er echt watertekorten ontstaan.”
Hoogwater
Harold is niet alleen voorzitter voor de LCW, maar ook voor de Landelijke Coördinatiecommissie Overstromingsdreiging (LCO). De LCO is opgericht om de minister en de netwerkpartners vroegtijdig te informeren en te waarschuwen in geval van extreme situaties, waarbij mogelijk overstromingen op gaan treden. Ook de LCO werkt met landelijke waterbeelden. Harold was actief betrokken bij het hoogwater op de Maas in 2021, en weet ondertussen dus veel over de gevolgen van extreem weer. “Ze zeggen dat het weer steeds extremer wordt, maar ik zeg dat we er nu al mee te maken hebben.”
Volgens Harold is klimaatverandering niet iets dat morgen gebeurt, we zitten er al middenin.“Sinds 1950 valt er jaargemiddeld 20 procent meer neerslag in Nederland. Laten we daar iets nuttigs mee doen. We moeten zoeken naar een nieuwe balans tussen te veel en te weinig water. Als je dat van meet af aan samen met je partners doet, kun je ook tot oplossingen komen.”
Klimaatverandering
Merken jullie dat de LCW en de LCO meer in actie moeten komen vanwege de klimaatverandering?
“Dat wisselt van jaar tot jaar. Bij de LCW is er ieder jaar wel actie als het wat langer mooi weer is. We komen dan vaak in actie voor dreigende watertekorten. Als je het hebt over feitelijke watertekorten op landelijke schaal, dan gebeurt dat gelukkig niet zo heel vaak. In 2018 was dat voor het laatst, en daarvoor in 2011 en 2003.
Op regionale schaal kan er wel al eerder een watertekort ontstaan. Vooral op de hoge zandgronden waar we geen water kunnen aanvoeren. Daar zijn we volledig afhankelijk van neerslag. In die gebieden hebben we gezien dat in de drie droge zomers op een rij (2018, 2019, 2020) er snel watertekorten ontstaan. Ook het voorjaar van 2022 is erg droog.
We merken duidelijk dat er iets aan de hand is met het klimaat. Dat is ook onderbouwd met cijfers van het KNMI. De verandering in het voorjaar en de zomer zit niet zozeer in de veranderende neerslag, maar vooral in de veranderende verdamping. Die is met name landinwaarts de laatste 50 jaar behoorlijk toegenomen. Uiteindelijk gaat het om het verschil tussen neerslag en verdamping, want dat bepaalt of er een neerslagtekort is.
Het neerslagpatroon zelf is ook bijzonder, want jaargemiddeld neemt de neerslag toe. Warme lucht kan immers meer water bevatten. Maar de neerslag is niet evenredig verdeeld over het jaar. In de zomer zien we dat de neerslag afneemt of juist in extreme buien valt, waardoor het niet in het grondwater terechtkomt maar over het oppervlak wegstroomt. Daardoor kunnen er toch vaker tekorten ontstaan.”
Waterbalansmodellen
Waterbalansmodellen zijn cruciaal om de dialoog te kunnen voeren over de waterbeschikbaarheid in relatie tot klimaatverandering. Een voorbeeld is het waterbalansmodel RIBASIM voor de Maas. Ben jij betrokken geweest bij de ontwikkeling, en in welke rol?
“Ik had een vrij bescheiden adviesrol. Het echte werk is gedaan door RIWA-Maas samen met Rijkswaterstaat Zuid-Nederland, en Deltares die het werk heeft uitgevoerd. Het is belangrijk dat er zulke modellen komen. In het boek ‘Van regen tot Maas’ kwam Marcel de Wit jaren geleden al met de aanbeveling dat er een grensoverschrijdend instrument moest komen om de effecten van klimaatverandering met elkaar te kunnen berekenen en te bespreken.
De kwestie klimaatverandering in relatie tot de afvoeren van de rivieren, en wat dat betekent voor ons drinkwater, is een belangrijk onderwerp. Dat thema moet nationaal en internationaal besproken worden, maar dan wel het liefst op basis van fact-based policy. Feitelijk onderbouwd bestuur en beheer dus, zodat je het gesprek voert op basis van dezelfde feiten. Daarvoor zijn computermodellen, zoals het waterbalansmodel voor de Maas, heel belangrijk.”
Ook Aleksandra Jaskula van Rijkswaterstaat Zuid-Nederland, was nauw betrokken bij de ontwikkeling van het waterbalansmodel. Ze vult Harold aan: ”Fact-based policy is inderdaad een belangrijk uitgangspunt, maar het is niet het begin van (grensoverschrijdende) samenwerking. Eerst moeten partijen het onderling eens zijn over de input van het model. Dat betekent vooral dat de gebruikte klimaatscenario’s geaccepteerd moeten worden. In de praktijk werkt elk land met eigen klimaatscenario’s. Tot nu toe is men niet geneigd om akkoord te gaan met het gebruik van de scenario’s van een ander land. Dat is dus een belangrijk aandachtspunt voor vervolgacties.”
Harold besluit: “Als je het ten slotte eens bent over de feiten, kun je het vervolgens gaan hebben over de betekenis ervan. En wat we kunnen doen. Bijvoorbeeld hoe we het beste kunnen investeren om waterschaarste te beperken en liefst voorkomen.”
Nieuwe inzichten
Het onderzoek naar de waterbalans voor het Maasstroomgebied is in 2021 uitgevoerd. Als het gaat om de conclusies en de aanbevelingen, wat is jou dan het meeste bijgebleven?
“Ik zit al langer in het dossier, dus de conclusies waren niet nieuw. Maar het belangrijkste voor mij blijft het feit dat in alle klimaatscenario’s die geanalyseerd zijn, de waterbeschikbaarheid minder wordt. De trend is duidelijk: de waterafvoer van de Maas wordt minder. In alle gevallen, zelfs voor het meest optimistische scenario. Dat is bijzonder. De situatie op de Rijn is anders. Daar zien we het waterpeil de komende jaren in sommige scenario’s eerst nog ietsje toenemen door het smelten van de gletsjers.
Dat het water in de Maas minder wordt is belangrijk om te beseffen, omdat we daar ook nu al regelmatig watertekorten hebben. Daar komt dus dit toekomstige scenario nog bovenop. Met andere woorden: als je weet dat er nu al regelmatig watertekorten zijn, en dat we met elkaar hard moeten werken om die situatie het hoofd te kunnen bieden, en je ziet vervolgens ook nog dat in alle scenario’s er nog een dalende trend overheen komt, dan is duidelijk dat we dus serieus moeten nadenken over hoe we daarmee om kunnen gaan, en wat we kunnen doen.
Dat nadenken over maatregelen kan bijvoorbeeld gaan over de waterkwantiteit. Als je er bijvoorbeeld voor kunt zorgen dat je toch meer waterafvoer houdt, zou dat mooi zijn. Het nadenken kan ook gaan over het watergebruik, we kunnen er immers zuiniger mee omgaan. Maar het kan ook gaan over de impact van watertekorten op de waterkwaliteit. Nu worden er chemische stoffen geloosd met het idee dat die voldoende worden verdund. Maar die aanname verdwijnt nu het klimaat verandert. Met andere woorden: we zouden dus moeten nadenken of de manier waarop we het watersysteem nu hebben ingericht, moet worden aangepast.”
Handelingsperspectief
Is het waterbalansmodel voor de Maas (RIBASIM) het geschikte instrument daarvoor, of moet er meer gebeuren?
“Er zijn nog wel een paar stappen te gaan. Je kunt dit model niet zomaar droppen in het internationale overleg. Het allerbelangrijkste is dat we samen met internationale partners draagvlak creëren over het belang van dit soort modellen.
Als we eenmaal draagvlak hebben van de buurlanden, is het belangrijk om daarna de inhoud in te duiken. We moeten gezamenlijk de vraag stellen of de kwaliteit van het model voldoende is voor het type vraagstukken wat we met elkaar willen analyseren. Ik ben daar zelf best optimistisch over. Het zou wel mooi zijn om naast waterkwantiteit ook waterkwaliteit te kunnen toevoegen aan het model. Want het gaat bij drinkwater steeds over de vraag of er voldoende water is van de juiste kwaliteit.
Eigenlijk moeten we er de komende tijd gewoon mee aan de slag gaan. Als er nog vraagtekens bestaan, zijn dat in mijn optiek juist opties om het model -samen met andere partijen- nog verder door te ontwikkelen. Bijvoorbeeld in het kader van Europese klimaatonderzoeksprogramma’s waarvoor er ook subsidies zijn.”