2021
‘Beperk incidenten door aanpak aan de bron’
Bij een fabriek kan een afwijkende lozing altijd optreden. Maar als je het bedrijfsproces goed onder controle hebt, kun je voorkomen dat het uitmondt in een incident op het oppervlaktewater. Dat blijkt uit het verhaal van Hans Geijselaers van technisch dienstverlener Sitech services, dat verantwoordelijk is voor het afvalwatermanagement op industriecomplex Chemelot.
Chemelot is een 800 hectare groot industrieterrein in Zuid-Limburg. Het is de thuishaven van 54 fabrieken en meer dan 150 verschillende bedrijven. Sitech regelt dat het afvalwater van de fabrieken via een 290 kilometer lang rioleringsstelsel naar de centrale biologische afvalwaterzuivering wordt geleid, waar het wordt gezuiverd voor het op de (Grens)Maas wordt geloosd.
Het bijzondere aan de lozingssituatie op Chemelot is dat er even verderop bij Roosteren, drinkwater uit het Maaswater wordt gemaakt. Het rivierwater moet daar voldoen aan de strenge innamenormen voor drinkwaterbereiding. De lozing van Chemelot moet daar rekening mee houden. Dat betekent dat het effluent dat de lozingspijp van het industrieterrein verlaat, 24/7 wordt gecontroleerd.

“Maar op de IAZI (industriële afvalwaterzuiveringsinstallatie) ben je toch soms al te laat,” weet Hans Geijselaers, die sinds 3,5 jaar manager afvalwaterzuivering is bij Sitech. Hij pleit dan ook voor een aanpak bij de bron om lozingen te reduceren. Desgevraagd beantwoordt Hans 11 vragen over hoe Sitech te werk gaat op Chemelot.
1. Er lozen 54 fabrieken op jullie industriële afvalwaterzuiveringsinstallatie (IAZI). Hoe krijg je grip op dat ingewikkelde proces?
“Afspraken met de bedrijven zijn grotendeels in contracten geregeld. Daarnaast opereren we binnen de lozingsvergunning, dat is eigenlijk één vergunning voor de hele site waarin alle fabrieken zijn ondergebracht. Onze contracten met de bedrijven zijn dus eigenlijk een verlengde van onze lozingsvergunning. Ons IAZI-team coördineert alle aangelegenheden die over de vergunning gaan, en hoe we kunnen voldoen aan de voorschriften.
Onze lozingsvergunning is relatief nieuw. Sinds een aantal jaren wordt er op een geheel andere manier naar de lozing gekeken, namelijk op het niveau van individuele stoffen. Daarvóór stuurden we de kwaliteit van het effluent aan op basis van groepsparameters, en op slechts enkele individuele stoffen. Om zicht te krijgen op veel meer individuele stoffen in het effluent, hebben we fors geïnvesteerd in nieuwe monitorings- en analysetechnieken.
Dat alles past ook bij de ‘vergroeningsvisie’ van de hele Chemelot site, gericht op het realiseren van verduurzaming en circulariteit. Daardoor zullen bepaalde lozingen in de toekomst significant gereduceerd gaan worden. Op dit moment loopt er een inventarisatie wat we allemaal kunnen doen om dat doel (circulariteit) te bereiken.”

2. Jullie hebben zicht op het proces en weten wat er speelt. Welke rol heeft monitoring daarin?
“Monitoring is cruciaal, en dat gebeurt op verschillende plekken op het terrein. Te beginnen bij de fabrieken zelf. Vervolgens gaat het afvalwater de rioolbuizen in, waarbij we op diverse plekken analyseapparatuur hebben staan. Ten slotte meten we het afvalwater vlak voor en nadat het gezuiverd wordt in de IAZI. In dit geval gaat het om gerichte analyses en een brede screening van het effluent. Dat moment is je laatste ‘line of defence’: als er in een fabriek iets is misgegaan wil je dat natuurlijk het liefst zo vroeg mogelijk detecteren. Als je dat op tijd opmerkt, kun je ernaar handelen om te voorkomen dat het leidt tot een onjuiste lozing op het oppervlaktewater.”
3. Samengevat: de stoffen uit de vergunning monitoren jullie op verschillende plekken, en als vangnet hebben jullie in het effluent nog een extra screening voor als er incidenten zijn, klopt dat?
“Ja, dat meten van het effluent doen we al jaren. Maar het meetpakket is de laatste jaren wel flink uitgebreid. We laten er vijf verschillende analysetechnieken op los om te kijken of er afwijkingen te zien zijn in het effluent.
Sinds een jaar werken we bijvoorbeeld ook met een biomonitor om de toxiciteit te meten, dat gebeurt met mosselen. Die zijn supergevoelig voor toxische stoffen. In dat geval klappen de mosselen dicht. Dankzij elektrodes registreren we die beweging, en dan gaan wij op zoek of er iets aan de hand is.
Het belang van goede screening en monitoring is dat je snel kunt handelen in geval van een afwijkende situatie. Het liefst wil je voorkomen dat er een normoverschrijding ontstaat. Maar mocht dat toch gebeuren, dan wil je die overschrijding zoveel mogelijk beperken.”
4. Wat doen jullie bij afwijkingen in de lozing?
“Eerst willen we weten in welke concentratie de stof voorkomt. Voor de duidelijkheid: als we in de screening iets zien, gaat het per definitie om hele lage concentraties. Dan zitten we dus gelukkig nog ver voor de fase dat er daadwerkelijk een probleem is. Voor oppervlaktewater screenen we stoffen in concentraties van 0,1 microgram per liter, terwijl de signaleringswaarde voor inname voor de drinkwaterbedrijven 1 microgram per liter is. Door die factor 10 bouw je al een veiligheidsfactor in.
Vervolg? Het kan twee kanten uit. Als het om een bekende stof gaat, kunnen we heel snel acteren. Als het een onbekende stof is, moeten wij gaan zoeken. Dat is echt detectivewerk: identificeren en traceren. Dat doen we samen met het laboratorium van Aqualab Zuid. Via allerlei analysetechnieken definiëren we een molecuulformule, en vervolgens gaan we dat molecuul hogerop in de stroom terugzoeken.”
5. Hoe gaan jullie te werk als het gaat om onbekende stoffen in hele lage concentraties?
“Wij werken met vijf verschillende screeningsmethoden, waarvan een paar ook worden gebruikt door de drinkwaterbedrijven zelf. Dat is handig, want dan spreken we dezelfde taal. Als we een piekje aantreffen in een effluentmonster, kan dat ene piekje ook veroorzaakt worden door drie verschillende stofjes samen. Daarom beschikt het laboratorium over technieken waarmee ze de molecuulmassa kunnen bepalen. Als je die weet, kun je heel gericht verder gaan zoeken. Dan kun je ook een echte analyse doen op je waterstromen om dat stofje te traceren. Deze manier van werken is echt bedoeld om de puntjes op de i te zetten, en te zorgen dat je geen vreemde stoffen ziet. Want als je screent zie je echt alles, maar het gaat daarbij vaak om zeer lage concentraties.”
6. Sommige stoffen, zoals PFAS, zijn al in extreem lage concentraties al bezwaarlijk voor de drinkwaterbereiding. Hoe bepalen jullie of een nieuwe, onbekende stof een probleem is?
“Het laboratorium gaat dan aan de slag om de molecuulstructuur en de molecuulmassa te bepalen. Als je geluk hebt, weet je welke stof het kan zijn. Vervolgens kun je gericht gaan zoeken naar informatie over die stof om de mate van ‘waterbezwaarlijkheid’ te weten. Daar kun je onder andere de bestanden van ECHA/REACH voor gebruiken, maar die zijn helaas vaak niet compleet.
Dus zoeken we verder in de literatuur, of in de databases van leveranciers van chemicaliën. De laboratoria hebben zelf ook informatie. Maar als dat alles toch onvoldoende informatie oplevert, laten we een uitgebreid onderzoek doen. Dan moet je toxiciteitstesten laten uitvoeren.”
7. Wanneer bepaal je de bezwaarlijkheid: hoe gaat het stellen van prioriteiten bij al die stoffen in zijn werk?
“We werken nauw samen met de drinkwaterbedrijven en we laten ons adviseren door KWR en Aqualab Zuid. Je moet je voorstellen dat we Maaswater innemen, en dat we dat Maaswater ook weer lozen. Wat er in de Maas zit, trekken we ook bij ons naar binnen. Daarom monitoren we ook de achtergrondwaarde van de stoffen in het water dat we innemen. Laatst vonden we vier PFAS-componenten in ons effluent, terwijl die stoffen bij ons niet in de reguliere lozing voorkomen. Die stoffen bleken al in het Maaswater te zitten dat we innamen. Die hebben voor ons geen prioriteit om verder uit te zoeken.”
8. Gebruiken jullie ook screening voor het managen van afwijkende lozingen?
“Let op: het onderzoeken van nieuwe opkomende stoffen, en het managen van incidenten zijn twee verschillende dingen. De hiervoor besproken screening is bedoeld als vangnet. Daarbij gaat het nooit om grote stromen, want de stoffen in de grote stromen zijn bekend, en daarvoor heb je geen screening nodig. Wij kennen alle individuele stoffen die wij lozen, die zijn samengebracht in de vergunning, en daar wordt op gemeten.
Bij een afwijkende lozing gaat het anders. Als er iets onvoorziens gebeurt in een fabriek, hebben we op diverse plekken in het proces een monitoringsmoment om een niet bedoelde lozing te zien aankomen. In dat geval kunnen we die stroom naar de berging schakelen, en we gaan met de fabriek in gesprek om de lozing te stoppen. Op die manier voorkomen wij dat die lozing in de IAZI komt en in het oppervlaktewater.

Maar ik moet eerlijk toegeven dat dat niet altijd lukt. Het afvalwater gaat toch erg snel door het riool heen. We hebben gemiddeld vier uur de tijd voor het op de IAZI aankomt. Soms overschrijden we dus onze lozingsnorm. Door alle bewakingen die we hebben geïnstalleerd, kunnen we zorgen dat een lozing snel wordt opgemerkt. We kunnen voorkomen dat het een langdurige lozing wordt met nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater, of die nadelige gevolgen in ieder geval minimaliseren.
Meestal blijkt de impact van een afwijkende lozing mee te vallen. Vaak is de afwijkende lozing niet waarneembaar bij het drinkwaterinnamepunt. Laatst hadden we te maken met een kortdurende normoverschrijding. Om te voorkomen dat de drinkwaterbedrijven er last van zouden krijgen, hebben we meteen gebeld met drinkwaterbedrijf WML. Maar die zagen geen piek in hun screening.”
9. Hoe kan het gebeuren dat een normoverschrijding verderop de Maas niet wordt gemeten?
“Dat heeft te maken met extra ingebouwde veiligheden. Als ik het over een normoverschrijding heb, gaat het over een norm die voor onze IAZI-vergunning geldt. De norm voor oppervlaktewater wordt in de vergunning terugvertaald in een norm voor ons effluent.
Omdat we op de Grensmaas lozen, is die norm aangepast aan dat ontvangende oppervlaktewater, en bovendien berekend op een hele lage Maaswaterstand. De norm is dus gemaakt voor situaties met laagwater. Met andere woorden: als wij onze norm in het effluent overschrijden, terwijl er op dat moment geen sprake is van laagwater in de Maas, dan levert dat meestal geen problemen op. Het blijft natuurlijk zo dat we géén normoverschrijdingen accepteren.”
10. Als het gaat over de impact van stoffen, hoe zit het dan met indicatieve richtwaarden?
“Dat is best ingewikkeld. Als je een stof kent, kun je daar toxicologische informatie over vinden. Als je die data hebt, kun je op basis daarvan een norm afleiden, en dan weet je wat je beperking is in de lozing. Hoe meer gegevens je hebt, hoe nauwkeuriger je een norm kunt afleiden. Als je te weinig gegevens hebt voor een norm, moet je gaan werken met veiligheidsfactoren, en wordt het een indicatieve norm. Je kunt een stof dan gaan vergelijken met een stof die er veel op lijkt. Op basis daarvan kun je toch een indicatieve norm afleiden.
Dat doe je niet zomaar, er zitten allerlei strenge regels aan. Het RIVM heeft daar voorschriften voor hoe je dat moet doen. Dat heeft wel tijd nodig. Want de normaanvraag moet getoetst worden in een wetenschappelijke klankbordgroep die maar een paar keer per jaar vergadert, en waarbij ze telkens slechts een beperkt aantal normaanvragen kunnen behandelen.
Kortom: als je veel normen moet aanvragen, kan dat best lang duren. Dat is een struikelblok voor innovatie. Wij willen vaak nieuwe stoffen invoeren in het productieproces, die beter zijn of minder schadelijk zijn dan bestaande stoffen. Dat wil je eigenlijk zo snel mogelijk realiseren.”
11. Jullie manier van werken blijkt succesvol, want drinkwaterbedrijven zien veel minder incidenten dan vroeger. Is dat beeld herkenbaar?
“We hebben al veel langer beter grip op het proces, al sinds het incident met pyrazool in 2015.Dat was toen een landelijke wake-up call, daarna kwam er aandacht voor individuele stoffen. We zijn meteen aan de slag gegaan, en ik durf nu te zeggen dat we de zaken goed onder controle hebben. Dat wil niet zeggen dat er nooit iets gebeurt. Maar als er iets mis gaat, zijn we er als de kippen bij. We communiceren ook steeds met het Waterschap Limburg, Rijkswaterstaat en de drinkwaterbedrijven. Op die manier kunnen we herhaling van een incident als in 2015 voorkomen.
Ons toekomstbeeld? De stip op de horizon is uiteindelijk een nul-lozing. Tot die tijd zullen we het huidige rest-risico steeds beter moeten managen en mitigeren. Daarom werken wij steeds meer aan de bron, bij de fabrieken zelf. De bronaanpak is heel erg belangrijk, juist ook bij afwijkende lozingen.”