2020

Patrick Willems

Op reis door het Maasstroomgebied- Universiteit Leuven

Op reis door het Maasstroomgebied:

Universiteit Leuven over droogte in Vlaanderen

Patrick Willems is hoogleraar waterbeheer aan de KU Leuven. Hij is gespecialiseerd in hydrologische extremen, en weet dus veel van overstromingen en droogte. “We maken waterbalansmodellen waarmee we het watersysteem modelleren. Daarmee kunnen we ook de impact van klimaatscenario’s en strategieën voor klimaatadaptatie doorrekenen.”

Ook aan hem de vraag wat er in 50 jaar is veranderd in het Maasgebied? Willems: “Nieuw is dat we tegenwoordig steeds meer te maken krijgen met verzilting in het Albertkanaal. Dit als gevolg van droogte. In Vlaanderen kwam de droogte van de afgelopen jaren hard aan.” Dat licht hij toe.

Het belang van de Maas

In Vlaanderen zijn geen grote rivieren die voldoende zoetwater aanvoeren, daarom is wateraanvoer via de Maas van cruciaal belang. Om Vlaanderen van water te voorzien, zijn er tussen 1827 en 1947 zeven kanalen aangelegd: de kempische kanalen. Van alle Belgische kanalen is het Albertkanaal het belangrijkste, omdat het Luik met Antwerpen verbindt.

Normaliter is de gemiddelde afvoer van water via de Maas 250 kuub per seconde. Aanhoudende droogte zorgde in 2019 voor zeer lage Maasafvoeren. In september 2019 bedroeg de Maasafvoer in Luik (net opwaarts de aftakking naar het Albertkanaal) amper 35 kuub per seconde. De situatie was toen kritiek. Dat had grote gevolgen voor het gebruik van het Albertkanaal. 

DKW tekst1 afb1

Het Albertkanaal

Willems: ”Het Albertkanaal zorgt voor 40 procent van de drinkwatervoorziening in Vlaanderen. Het Vlaamse drinkwater wordt bereid door water-link. Het Albertkanaal is samen met de Antwerpse haven tegelijkertijd ook de belangrijkste scheepvaart- en industrie-as waar grote (chemische) bedrijven zijn gelokaliseerd. De vaarweg wordt beheerd door De Vlaamse Waterweg. Verder zijn de kempische kanalen belangrijk voor de landbouw, bevloeiing van natuurgebieden en het voeden van recreatie- en visvijvers.

Het Albertkanaal krijgt water uit de Maas, en loopt van Luik door tot in de Antwerpse haven. Daar wordt bij lage aanvoer uit het Albertkanaal zout Scheldewater ingelaten om de dokken in de haven op peil te houden. Daardoor ontstaat een zoet-zoute mengzone. Als er tijdens droge zomers te weinig zoet water is, rukt het zout verder op richting het Albertkanaal. Tijdens de afgelopen twee droge zomers drong het zout zelfs door tot bijna aan het innamepunt voor drinkwater. 50 jaar geleden was er nog geen verzilting daar. Dat is nieuw.”

Hij vervolgt: “We verwachten dat verzilting in de toekomst, als gevolg van klimaatverandering, een steeds groter probleem gaat worden. Daarover maken we ons grote zorgen in Vlaanderen. Sinds de droge zomers wordt daarom hard gestudeerd op de waterbeschikbaarheid en hoe daar in de toekomst mee om te gaan.”

Visie op droogte

Om in tijden van laagwater en waterschaarste de juiste beslissingen te kunnen nemen, gaf de Vlaamse overheid de KU Leuven opdracht om een beslissingsondersteunend instrumentarium te ontwikkelen. Zo ontstond een ‘reactief afwegingskader’, dat in grote lijnen vergelijkbaar is met de Nederlandse Verdringingsreeks, alleen gedetailleerder en wat meer flexibel.

Willems: “Zo’n afwegingskader bestond in Vlaanderen nog niet: politieke keuzes over de waterverdeling waren vaak subjectief. Met het afwegingskader willen we de beslissers objectieve informatie geven. De informatie helpt ook om zulke keuzes te onderbouwen, en om ze uit te leggen aan de getroffen gebruikers.”

Om een visie op droogte te ontwikkelen werden bestaande rekenmodellen geïntegreerd tot een nieuw instrumentarium, het reactieve afwegingskader. Daarmee kan inzichtelijk worden gemaakt waar er watertekorten ontstaan tijdens waterschaarste, en ook wat de effecten van mogelijke (combinaties) van maatregelen zullen zijn. De modellen houden bovendien rekening met de kosten en de baten van beoogde maatregelen, en met ecologische aspecten.

De Vlaamse waterbalans

Om welke bestaande rekenmodellen gaat het? Willems: ”Bijvoorbeeld om eigen ontwikkelde rekenmodellen voor de waterbalans van bevaarbare waterwegen en van onbevaarbare waterlopen; rekenmodellen voor de beschikbaarheid van hemelwater en voor de vullingsgraad van de spaarbekkens voor de drinkwaterbereiding.”

Willems vervolgt: “Om een waterbalans te kunnen opstellen is inzicht nodig in vraag- en aanbod. Het meeste werk was de analyse van het watergebruik. Daartoe moesten heel veel verschillende soorten gegevens worden geïntegreerd. Het was voor het eerst dat we zo’n puzzel hebben gelegd in Vlaanderen. Maar in grote lijnen hebben we nu de watervraag (door de industrie, de scheepvaart, de landbouw, de drinkwatersector, huishoudens) en het wateraanbod (oppervlaktewater, diep- en ondiep grondwater, hergebruik gezuiverd afvalwater en hemelwater) in beeld.”

De vraag die opkomt is: is deze informatie ook te gebruiken voor de Nederlandse waterbalans? “Helaas, deze informatie over het watergebruik is regio-specifiek en daardoor alleen toepasbaar voor Vlaanderen. Maar in de toekomst ligt het voor de hand om een gezamenlijke waterbalans voor het hele Maasstroomgebied te maken. We zijn blij dat we informatie kunnen uitwisselen met RIWA-Maas en Deltares.”

Van casus naar realiteit

Vorig jaar is de Vlaamse waterbalans c.q. het ‘reactieve afwegingskader’ daadwerkelijk toegepast op het Albertkanaal. “In september 2019 werd de toestand kritiek. Het debiet van de Maas bij Luik schommelde tussen de 30 en 40 kuub per seconde. We hebben toen verschillende maatregelen doorgerekend. Daaruit bleek dat het terugpompen van schutwater bij sluizen het meest kosteneffectief was. Het plaatsen van pompen bij sluizen om de schuttingsverliezen te compenseren, werd dan ook de meeste prioritaire maatregel. Veel sluizen waren al voorzien van zulke pompen, maar als die nog ontbraken werden er mobiele pompen ingezet.”

Maar deze maatregel bleek nog niet genoeg om het watertekort aan te pakken. “Als tweede prioritaire maatregel volgde ‘gegroepeerd schutten’ (met meerdere schepen tegelijk). Daarvoor was er een nieuwe rekenmodule ontwikkeld, die de wachttijd voor de schepen in relatie tot de waterbesparing, inzichtelijk maakte. Ook deze tweede maatregel werd uitgevoerd, overigens in combinatie met het stilleggen van de pleziervaart.”

Met deze maatregelen kreeg Vlaanderen de waterschaarste onder controle. Maar wat als de droogte en de waterschaarste door klimaatverandering nog extremer worden? Willems: ”Met klimaatmodellen rekenen we dan extra maatregelen door. Zoals gedeeltelijke en gefaseerde sluiting van de watervangen. Dat zijn de plaatsen waar men water onttrekt uit de kanalen, bijvoorbeeld voor irrigatie, recreatievijvers en visvijvers. Eerst gaat het om 50 procent sluiting, gevolgd door 80 procent.”

Hij vervolgt: “Als de droogte en waterschaarste dan nog erger worden, komt ook innamebeperking voor bedrijven in beeld. Eerst de bedrijven die veel water innemen, maar relatief weinig economisch belang hebben. Dan de bedrijven die minder water innemen maar een groter economisch belang hebben. Als uiterste maatregel gaat het om innamebeperking voor drinkwaterproductie. Dan zou – in het ergste geval - 40 procent van de Vlamingen geen water meer uit de kraan krijgen.”